image

biografie


The Great Atomic Power

Begin jaren zestig begon de wereld van Roland Van Campenhout vorm te krijgen. Hij was een jonge arbeider uit Boom, de zoon van een te vroeg gestorven saxofonist. Een misfit ook die met uitzicht op de plaatselijke steenbakkerijen van een uitweg droomde, en daarom veel las. Het lot speelde hem ‘On the road’ van Jack Kerouac toe, een lokkende verte van papier: wildstromende literatuur die op andere tijden preludeerde. Meteen had hij er oog en oor naar: ‘On the road’ maakte hem wakker. Eerst wou hij schrijver worden, maar het duurde niet lang of hij werd aangestoken door de jazz die in dat boek opklonk. Door helemaal in bop op te gaan, kwam hij vrijwel meteen achter dat jazz een kind van de blues was. Zelf wou hij ook wel een zoon van de blues zijn, en daarom leerde hij verwoed gitaarspelen. He woke up one morning en zag voor zijn geestesoog de lange kronkelweg die hij moest volgen, zo nu en dan met de hellehond op de hielen, want zo hoort het. Weldra predikte hij overal in het land de blues, en vrijwel alle muziekvormen die eruit afgeleid zijn, alsook een stuk of wat muziekvormen die er niét uit afgeleid zijn. Nu, veertig jaar later, doet hij dat nog steeds. Op ‘The Great Atomic Power’, zijn nieuwe cd, drijft hij het eclecticisme ten top; met groot gemak verzoent hij genres die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben, en maakt hij er wereldmuziek van eigen vinding van.

‘The Great Atomic Power’ is in Kenia opgenomen. Het lijkt wel alsof hij alle muziek die voor hem levensnoodzakelijk is geweest even naar het moederland terug wilde brengen. Toch had Roland geen concept vooropgezet voor ‘The Great Atomic Power’, want een bluesman maakt nooit blauwdrukken. ‘Ik had vooraf wel een aantal vage ideeën,’ zegt hij, ‘en natuurlijk had ik ook een voorraad songs, waarvan ik niet wist hoe ik ze deze keer zou aankleden. Tot ik in Kenia terechtkwam, op uitnodiging van de Belgische Ambassade in Nairobi, waar ik drie keer moest optreden. Het eerste wat ik daar wilde weten was: waar zijn de cafés? En daarna: in welke cafés komen de plaatselijke muzikanten samen? En tenslotte: is er een opnamestudio in de buurt? Voor het geval dàt. En voor ik het wist was ik daar al drie nummers aan het opnemen. Die zwarte jongens met wie ik heb samengespeeld, zijn al jaren het huisorkest van een rondvaartboot voor toeristen, tevens drijvend restaurant. Ze treden twee keer per dag op, en desnoods spelen ze vijf uur lang. Het minste wat je van hen kunt zeggen is dat ze een goedgeoliede machine zijn. Ze kennen de geur van elkanders sokken, ze kennen elkanders hebbelijkheden, zowel persoonlijk als muzikaal, kortom: ze weten àlles van elkaar. Toen ik ze voor het eerst zag optreden, was ik ongelofelijk onder de indruk. Ik heb meteen met ze meegespeeld, en dat bleek nog te lukken ook. Een paar dagen later had ik al drie nummers met ze opgenomen. Toen ben ik naar België teruggekeerd.’

Twee maanden later trok hij opnieuw naar Kenia : ‘ Tegen die tijd had ik me voorgenomen een hele cd met die gasten op te nemen. Al heb ik wel eventjes getwijfeld: waren zij echt zo goed, die keer, of was ik gewoon dronken?’ Wellicht wàs ik toen zat, maar mijn dronken beslissing bleek niettemin juist te zijn.’ Het is hem in zijn leven vaker overkomen.
‘Ik had het daarnet over de plaatselijke opnamestudio, ‘ gaat hij verder, ‘maar eigenlijk was er op technisch gebied niets dat aan de hedendaagse eisen beantwoordt. ’t Was dus geen studio in strikte zin, maar wel mijn hotelkamer die we voor de gelegenheid hadden leeggehaald. Mèt goedkeuring van de hoteldirecteur, toevallig een drummer. Voor de akoestiek hebben we matrassen tegen de muur gespijkerd. En mijn zangcabine was de wc. Die ontruimde hotelkamer zag er op de duur uit als een hok waar ze in België vijftig Kosovaarse vluchtelingen in duwen. Primitiever kon het niet: als we al microfoonstatieven hadden, waren ze verroest, om van de microfoons zelf nog te zwijgen. En toch klinkt mijn cd fantastisch, niet het minst dankzij de typisch Afrikaanse plantrekkerij. Een bezemsteel is, als de nood het hoogst is, óók een microfoonstandaard. We hebben alles live gespeeld. Ik heb er geavanceerde studiotechniek leren relativeren, mag ik wel zeggen. Nu ja, ik wist allang dat je geen peperdure hightech nodig hebt om een gevoel – laten we het maar soul noemen - juist weer te geven. Integendeel.»

In Afrika was hij zich er voortdurend van bewust dat de blues en de jazz dààr vandaan komen: ‘En dat bedoel ik ook visueel,’ zegt hij, ‘ik heb wel tien John Lee Hookers zien lopen, en vijf John Coltranes, een paar Miles Davissen, en één Chuck Berry: mijn saxofonist lijkt namelijk sprekend op hem. Volgens mij is hij dé ster van de cd. Die muzikanten waren geen koorknaapjes, maar veeleer bohémiens, om het zacht uit te drukken; ’t viel mij op dat ze graag van naam veranderden: de ene dag heetten ze zus, en de andere dag zo. Soms noemden ze zichzelf The Black Banana Band. Vraag me niet waarom. Ik had ze graag naar hier gehaald, maar naar wie moet je vragen als ze zo graag van naam veranderen? Maar goed, ik ken ondertussen al een paar fantastische muzikanten uit Matonge, de Kongolese wijk in Brussel, met wie ik graag op tournee zou gaan.’